|
FCI rasstandaard Nr. 102 / 06.12.2004 / D
Kleiner Münsterländer / Heidewachtel
Land van Oorsprong: Duitsland
Datum van publicatie van de geldende originele
rasstandaard: 9 november 2004
Gebruik: All-round jachtgebruikshond
|
|
Kwalificatie FCI: Groep: 7
Voorstaande honden
Sectie: 1.2 |
Continentale staande honden
Langharig (Epagneul)
Met werkproef |
|
Korte geschiedenis:
Omstreeks het jaar 1870 waren er in het Münsterland
langharige Wachtelhonden bekend.
Het waren honden die vast voorstonden, een enorme
spoorvastheid hadden en ook goed konden apporteren.
In 1906 zocht de bekende heidedichter Hermann Löns
met zijn broers naar nog voorkomende honden van de zogeheten “Roten
Hannoverschen Heidebracke”.
Zij noemden die honden Heidewachtels.
Jonkheer von Bevervörde-Lohburg en de bovenmeester
Heitmann uit Burgsteinfurt, behaalden tegelijkertijd de eerste
resultaten met hun fokkerij.
De Dorstenerstam verscheen in de daarop volgende
jaren in Westfalen.
Op 17 maart 1912 werd het “Verband für Kleine
Münsterländer Vorstehhunde” (Vereniging van Kleine Münsterländers)
opgericht.
De vereniging formuleerde destijds zijn
doelstellingen als volgt:
De vereniging heeft ten doel om de fokzuiverheid en
kwaliteit van de langharige kleine voorstaande honden, die al vele
decennia in het Münsterland gefokt werden, te bevorderen. Het toen der
tijd ontbreken van raskenmerken werkte belemmerend op de fokkerij en de
activiteiten van de vereniging.
Vanaf 1921 werd gefokt volgens de rasstandaard,
die Dhr. Dr. Friedrich Jungklaus heeft opgesteld.
|
|
Algemene verschijning:
Een middelgrote hond met een krachtige en
harmonische lichaamsbouw met veel adel en elegantie en evenredig in
proporties. Adellijk hoofd.
In opgeheven houding toont de hond vloeiende
lichaamslijnen met een horizontaal gedragen staart.
Voorbenen zijn goed bevederd.
Achterbenen zijn voorzien van broekbeharing.
De staart heeft een duidelijke vlag.
Het haar is glanzend, glad aanliggend tot licht
gegolfd, dicht en niet te lang.
Het gangwerk is harmonisch en ruim uitgrijpend.
|
|
Belangrijke proporties:
De lichaamslengte gemeten vanaf de punt van het
borstbeen tot aan de zitbeenknobbels mag hoogstens 5 centimeter meer
zijn dan de schofthoogte.
De schedellengte, gemeten van de jachtknobbel tot
de stop, komt overeen met de lengte van de voorsnuit gemeten van de stop
tot aan de punt van de neusspiegel.
|
|
Gedrag/karakter (aard):
Intelligent, leergierig, temperamentvol en
evenwichtig met een stabiel karakter.
Goede sociale binding en gerichtheid op de baas (will to please).
Gepassioneerde, volhardende prooidrift, veelzijdige
jachtaanleg met sterke zenuwen en wildscherpte.
Opmerkzaam, vriendelijk tegenover mensen (geschikt
voor gezinsleven).
|
|
Hoofd |
|
|
Algemeen |
Het hoofd is adellijk en droog, de expressie
bepaalt het type. |
|
Schedel |
Vlak tot lichtgewelfd |
|
Stop |
Gering maar wel duidelijk herkenbaar. |
|
Aangezicht |
Eenkleurig bruin |
|
Neusspiegel |
Krachtig, lang, met rechte neusrug. |
|
Voorsnuit |
|
|
Lippen |
Kort, goed aangesloten, goed gepigmenteerd,
éénkleurig bruin. |
|
Tanden |
Grote witte tanden die loodrecht in de kaak staan. |
|
Kaken |
krachtige kaken met een regelmatig en volledig 42
elementen tellend
scharend gebit, overeenkomstig de gebitsformule,
waarbij de bovenste
snijtanden zonder tussenruimte over de onderste snijtanden staan. Het
teveel aanwezig zijn of het ontbreken van 2 x de P1 is toegestaan. |
|
Wangen |
Krachtig en goed bespierd |
|
Ogen |
Van middelmatige grootte, noch uitpuilend noch
diepliggend, zo donkerbruin mogelijk. De oogleden moeten de oogbol goed
omsluiten en het bindvlies bedekken. |
|
Oren |
Breed, hoog aangezet, vlak aanliggend, naar onder
toe spits toelopend, niet over de mondhoek reikend. |
|
Hals |
|
|
Lengte |
In harmonie met het totaalbeeld, naar de romp toe
geleidelijk breder wordend. |
|
Nek |
zeer gespierd en licht gewelfd met strak
aanliggende keelhuid. |
|
Lichaam |
|
|
Bovenbelijning |
Vloeiend en licht aflopend |
|
Schoft |
Duidelijk waarneembaar |
|
Rug |
Sterk en goed gepsierd. Doornuitsteeksels van de
wervels moeten door het spierstelsel bedekt zijn. |
|
Lendenen |
Kort, breed en gespierd |
|
Kruis |
Lang en breed, niet sterk hellend, naar de staart
toe slechts licht aflopend. |
|
Bekken |
Goed breed |
|
Borst |
Meer diep dan breed, een zover mogelijk naar achter
reikend borstbeen met goed gewelfde ribben. |
|
Onderbelijning |
en buiklijn droog en in een elegante lichte boog
naar achter oplopend. |
|
Staart |
|
|
Aanzet |
Hoog, middelmatig lang met lange vlag, bij de
aanzet krachtig vervolgens smal toelopend. |
|
Dracht |
In rust naar beneden hangend, het laatste derde
deel mag een weinig
opwaarts gebogen zijn. in beweging horizontaal en
niet te hoog boven de rugbelijning uitkomend en licht gebogen gedragen. |
|
Ledematen |
|
|
Voorhand |
|
|
Algemeen |
Van voren bekeken recht en zo veel mogelijk
parallel.
Van de zijkant bekeken goed onder het lichaam
staande benen.
de afstand van de bodem tot de ellebogen, moet
ongeveer gelijk zijn aan de afstand tussen de ellebogen en de schoft |
|
Schouders |
Goed aanliggend, krachtig bespierd, met de opperarm
een goede hoek
van ongeveer 90 graden vormend. |
|
Opperarm |
Goed van lengte en goed gespierd |
|
Ellebogen |
Goed tegen het lichaam aanliggend, naar buiten noch
naar binnen draaiend. De opperarm en de onderarm vormen een goede hoek.
|
|
Onderarm |
Loodrecht met krachtige botten |
|
Voorvoet-
Wortelgewricht |
Krachtig |
|
Middenvoorvoet |
Een weinig naar voren gericht. |
|
Voorvoeten |
Rond en gewelfd met goed gesloten tenen en
voldoende dikke, stevige,
robuuste voetzolen, zonder al te weelderige
beharing. Zij staan parallel
zowel in stand als in beweging, naar binnen noch
naar buiten gericht. |
|
Achterhand |
|
|
Algemeen |
Van achter gezien recht en parallel. Krachtige
beenderen met correcte
hoekingen in knie- en spronggewricht |
|
Dijbeen |
Lang, breed en goed gespierd. Bekken en dijbeen
vormen een goede
hoek. |
|
Knie |
Krachtig, het dijbeen en onderbeen vormen een goede
hoek. |
|
Onderbeen |
Lang, gespierd en pezig |
|
Spronggewricht |
Krachtig |
|
Achtermiddenvoet |
Kort en loodrecht staand |
|
Achtervoeten |
Rond, met goed gewelfde en gesloten tenen en
voldoende dikke, stevige, robuuste voetzolen, zonder al te weelderige
beharing.
Zij staan parallel zowel in stand als in beweging,
naar binnen noch naar buiten gericht. |
|
Gangwerk |
Ruim uitgrijpend met veel stuwing vanuit de
achterhand en een daarbij
passend ruim uitgrijpen in de voorhand. Zowel in
voorhand en achterhand in een rechte lijn en parallel, met een opgeheven
houding. Telgang is ongewenst. |
|
Huid |
Strak aanliggend, zonder plooivorming |
|
Beharing |
Dicht, middellang, glad tot slechts weinig gegolfd,
goed aanliggend en
waterafstotend. De contouren van het lichaam mogen
niet door een te
lange beharing verborgen worden. De dichte beharing
zal een zo goed
mogelijke bescherming bieden tegen weers- en
terreininvloeden en
verwondingen. Kortharig glad behang is foutief.
Overvloedige
borstbeharing is niet gewenst. Voorbenen bevederd.
Achterbenen met
broekbeharing tot aan het spronggewricht. Staart
met lange vlag en een witte staartpunt. |
|
Haarkleur |
Bruinwit en bruin-schimmel met bruine platen,
mantel en stippen.
Een bles is toelaatbaar. Tan kleurige aftekening
aan de snuit, ogen en
rond de anus is toegestaan. (Jungklaus
aftekeningen). |
|
Grootte |
Reuen: 54 cm
Teven: 52 cm |
|
Tolerantie |
Maximale afwijking in de schofthoogte is plus of
min 2 cm. |
|
Fouten |
|
|
Iedere afwijking van bovengenoemde punten moet als
fout gezien worden.
De beoordeling moet in de juiste verhouding tot de
graad van de afwijking staan.
|
|
Ernstige fouten: (aanzienlijke afwijkingen van
de rasstandaard) |
|
- zware grove lichaamsbouw met te zware
botsubstantie.
- aanzienlijke afwijkingen van de verhouding romp –
hals – schofthoogte.
- meer dan 50% van de neusspiegel vleeskleurig of
gevlekt.
- spitse voorsnuit. doorgebogen (concave) neusrug.
- te lichte ogen, fel gele roofvogelogen.
- aanzienlijk te weinig borstdiepte of een door te
vlakke of tonvormige ribben
gevormde borstkorf.
- sterk naar buiten of naar binnen gedraaide
ellebogen.
- steil staande middenvoorvoet.
- sterk koehakkig of sterk O- benig, zowel in stand
als in de beweging.
- gespreide tenen, platvoeten (doorgezakt)
- zwaar log gangwerk.
- glad behang zonder beharing, alsook te lange en
gekrulde haarpunten aan het
behang.
- te sterk gekrulde beharing.
- afwijking in schofthoogte van meer dan plus of
min 2 cm en niet meer dan 4 cm.
|
|
Uitsluitende fouten: (fokuitsluitende
afwijkingen van de rasstandaard) |
|
- angstig, agressief, wild - en/of schotschuw.
Honden, die duidelijke psychische afwijkingen
of gedragsstoornissen vertonen, moeten eveneens
gediskwalificeerd worden.
- grove afwijkingen van het geslachtstype,
geslachtsmisvormingen.
- een volledig gedepigmenteerde neusspiegel.
- alle afwijkingen van een normaal scharend gebit
uitgezonderd het teveel aanwezig zijn of
ontbreken van maximaal 2 x de P1.
- kaak - en lippenspleet.
- roofvogelogen.
- ectropion, entropion, distichiasis (dubbele
wimperrij).
- sterke ontwikkelde keelhuid wammen.
- duidelijke karperrug.
- sterk doorgezakte rug.
- verkromming van de wervelkolom.
- misvormde borstkorf bijv. “afgezet borstbeen”.
- knikstaart, krulstaart en overige staartfouten
bijv. een te korte of te lange staart.
- éénkleurigheid.
- grootte - afwijkingen van meer dan plus of min 4
cm.
|
|
N.B.:
Reuen moeten 2 duidelijk normaal ontwikkelde
teelballen bezitten, die zich volledig in de balzak bevinden.
|
| |
|
|